Feiten en cijfers

In dit hoofdstuk presenteren we de achterliggende data. De variabelen zijn ingedeeld naar de drie groepen: leergedrag, urgentiegevoel en stimulerende factoren. Voor elk van de figuren beschrijven we de ontwikkelingen in de tijd.

We hebben het begrip leercultuur als volgt geformuleerd:


“Een leercultuur houdt in dat leren en ontwikkelen binnen een gemeenschap vanzelfsprekend is voor iedereen en voor een belangrijk deel is geïntegreerd in dagelijkse activiteiten”.


We willen met deze definitie benadrukken dat het stimuleren van een leercultuur een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid is van individuen, werkgevers, onderwijsinstellingen en overheidsinstanties. Hierbij dient niet alleen aandacht te zijn voor formeel leren (met certificaten en diploma’s) en non-formeel leren (trainingen en cursussen), maar ook voor informeel leren (leren als onderdeel van dagelijkse taken en ervaringen). Daarnaast zijn ook de stimulerende factoren en randvoorwaarden in een organisatie van belang om leren en ontwikkelen te realiseren.

Leergedrag

Deze indicatoren zijn het meest concreet en gaan over feitelijk gedrag: hoeveel opleidingen en cursussen worden gevolgd en in welke mate wordt er tijdens het werk informeel geleerd.

Urgentiegevoel

Deze indicatoren geven inzicht in de gevoelde noodzaak of urgentie voor leren en ontwikkelen. Hierbij gaat het om de vraag of er mismatch wordt ervaren tussen de kennis en vaardigheden die een werkende te bieden heeft en de kennis en vaardigheden die het werk vraagt. Ook gaat het hierbij om de behoefte aan scholing en ontwikkeling.

Stimulerende factoren

Deze indicatoren zeggen iets over de mate waarin de organisatiecontext leergedrag stimuleert en faciliteert. Denk daarbij aan gevarieerd en uitdagend werk, mogelijkheid tot evaluatie en reflectie, autonomie en steun van de leidinggevenden. Voor de selectie van de stimulerende factoren is gebruik gemaakt van een door TNO ontwikkeld model voor lerende organisaties en informeel leren (van der Torre et al., 2020).

Impact Covid op de leercultuur

De dataverzameling van de laatste meting van zowel de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) over de arbeidsomstandigheden van werknemers als het equivalent voor zzp’ers (ZEA) is afgenomen tijdens de covid19-pandemie. Gedurende deze periode is o.a. door een groot deel van de werkenden thuisgewerkt, of mocht men tijdelijk hun werk niet uitvoeren (bv. kappers). Voor anderen nam de werkdruk weer toe, zoals bijvoorbeeld in de zorg. Waar we opvallende afwijkingen voor de geselecteerde variabelen in deze monitor in 2020 ten opzichte van de voorgaande periode constateren, zullen we deze kort benoemen. Op dit moment is nog onduidelijk of deze afwijkingen in 2020 gerelateerd kunnen worden aan de pandemie. Pas na komende metingen zal duidelijk worden of 2020 een afwijkend jaar is, of dat toch bepaalde trends zijn ingezet.